schrijft

Hey Macarena – ode aan Jacques Brel

Heel mijn leven al kijk ik graag televisie. Vooral als ik elders ben. In welk buitenland (lees: België, Frankrijk of Duitsland) ik ook ben; ik vind het altijd prettig als er na enige dagen van onthouding een afstandsbediening binnen handbereik is die me soepel navigeert door de talrijke zenders in het kastje dat al lang geen kastje meer is. Dat het altijd tegenvalt, maakt me niet zoveel uit.

We verblijven drie nachten in een Frans bergdorp en als ik in hotel ‘Het mooie uitzicht’ de teevee aanzet, constateer ik dat presentatoren van grote televisieshows – bestaan die in Nederland nog? – allemaal uit hetzelfde fraaiemensenfabriekje komen. Glimmende tanden. Kapsels. En altijd lachen. Al-tijd lachen.

Ik zie een uitbundig verlicht podium, danseressen en een oude man die het lied ‘Hey Macarena’ zingt. Hey Macarena! ‘Hey Macarena’? Los del Río! Waren die niet met zijn twee? Het deuntje heeft zich in me vastgevreten. Een onbenullig zomerhitje uit de jaren negentig dat ik nog niet vergeten was, terwijl het snobistische deel van mezelf blijft volharden dat van die tijd alleen Nirvana en Pearl Jam resten. Here we are now entertain us. I feel stupid and contagious.

Het Franse bergdorp viert met het festival ‘Ontmoetingen met Brel’ dat de familie van de chansonnier er een huis had waar de grootmeester regelmatig kwam. Met de muzíek van Brel hebben de ontmoetingen echter weinig van doen. In de vroege avond smaak ik een voorproefje in een café waar twee als afzichtelijke dwergen verklede mannen met een trommel en viool een type muziek spelen dat me geënt lijkt op Ierse folk en tot mijn verrassing nog ok klinkt ook. Maar ik ga naar bed want we zijn hier om te wandelen. De mensen van het bergdorp zijn het feesten nog lang niet zat en gaan tot diep in de zaterdagnacht door. In mijn gebroken slaap vermengt zich iets wat ik wereldmuziekfolkdisco zou noemen met Hey Macarena! De dag erop denk ik dat ‘Hey Macarena’ echt gespeeld is, maar mijn reisgenoot verzekert me dat dat echt niet het geval is.

In de film Groundhog Day (1993) speelt Bill Murray een cynische rotzak zoals alleen hij dat kan. Hij belandt in een loop: hij beleeft dezelfde dag keer op keer op keer, beginnend met Sonny en Cher op de wekkerradio. Het gaat door tot het moment dat Murray doorkrijgt dat de voorzienigheid hem een lesje leert en in de gelegenheid stelt een góed mens te worden. ‘Life has a funny way of repeating itself’, zegt de trailerHey Macarena! hamert het ‘s ochtends. ‘Hey Macarena’ jaagt me de stuipen op het lijf. Je kunt in je leven in een loop belanden en nooit iets leren. En dan denk ik aan Brel. Of hij een goed mens was, weet ik niet, maar Brel zette punten. Hij wenste het publiek een duidelijk en formidabel ‘adieux’ toen het na een slopend optreed- en leefschema genoeg geweest was. Voordat zijn Kunst een kunstje werd.

Goed leven is weten wanneer het tijd is om ergens mee moet stoppen.

Vanaf het panoramaterras van het hotel schrijf ik tijdens het ontbijt voor mezelf op: Kunst maken en de góede herinneringen koesteren. En vooral: minder televisie kijken.