schrijft

Het wrange gelijk van Limburg

‘If you are the healer / i’m out of the game / If you are the healer / I’m broken and lame / If thine is the glory / Then mine must be the shame / You want it darker / We kill the flame.’ (Leonard Cohen, You want it darker)

‘Ik kom nooit meer los van Limburg’, schreef ik in een post eind 2015. Ook beschreef ik hoe ik met samengeknepen billen keek naar PVV-kamerlid Dion Graus toen ik hem toevallig voorbij zag komen in een talkshow. De liefde voor mijn provincie gaat gepaard met meewarigheid.

Mark Rutte en Europa slaakten de avond van de verkiezingen van 2017 een zucht van verlichting dat ‘het verkeerde populisme’ (wa’s da?) niet won. Heel even deelde ik dat gevoel, maar toen ik de dag erop teletekst checkte op de regionale verkiezingsresultaten, was ik bitter en teleurgesteld. Want de PVV heerst in de gemeente waar ik opgroeide, in de stad waar ik mijn middelbare school bezocht en in het ogenschijnlijk zo kosmopolitische en mondaine Maastricht.

Ik kan dit verkiezingsresultaat (nog) niet begrijpen. Ja alles is onzeker. Ja er is verdomme armoede in ons rijke land. Ja er is flexwerk. Ja de mijnstreek is in de jaren zestig en zeventig in de steek gelaten door ‘Den Haag’. Ja alles draait altijd maar om de randstad. Maar ik kan maar niet vergeten dat Wilders in de Tweede Kamer tijdens de Algemene Beschouwingen op 16 september 2009 serieus voorstelde om islamitische vrouwen te belasten voor het dragen van een hijab. Voor het astronomische bedrag van 1000 euro per jaar. Hij deed dat in bewoordingen die zo diep grievend, geringschattend en neerbuigend waren dat ik me schaam om ze te herhalen. ‘Bullying’ noemen we dat. Pesten.

Jarenlang is het Limburgse verzet gesmoord in het eigen comfortabele ‘kump good’ en de katholieke roomsaus van het CDA. En toen vielen we van ons geloof en bleek de wereld een verwarrende kloteplek. ‘Kal make’ doen we achteraf en nooit op het moment zelf. Ik weet dat Wilders wél zijn woordje klaar heeft, waar wij de ‘vuuste in de tesje’ (vuisten in de zakken) maken.

Ik deelde mijn zorgen op twitter en had subiet een (Amsterdamse) anonieme hater aan mijn broek. Onder de deknaam ‘Nederpiet’ legde hij onbedoeld de vinger op de zere plek door mij en een bevriende Heerlenaar er bot op te wijzen dat we onze hoop niet hoefden te vestigen op de relatief goede resultaten van de SP in Heerlen, want de ‘communisten’ (huh?) hadden toch echt verloren landelijk: ‘De uitslag in jouw dorp doet er niet toe.’

Nederland is Amsterdam niet. En vice versa. Zoals de rustbelt Trump aan de overwinning hielp, zo stemmen mijn mensen in grote aantallen op Wilders en de zijnen. Marcia Luyten zei tijdens de avond ‘Het Gelijk van Limburg’ afgelopen januari in de stadsschouwburg Amsterdam terecht dat een krachtig centrum alleen maar bestaat bij de gratie van een op waarde geschatte periferie (of iets in die geest — ik put uit mijn geheugen). Het hele idee van die avond was dat de randstad iets kon leren van Limburg.

We hadden op dat moment nog een dikke maand maand te gaan tot de verkiezingen en hoewel Twan Huys SP-voorzitter Ron Meyer – die een speech gaf die ik prachtig vond en waarin hij opriep ‘het heim’ (van het Duitse heimat) een verbindend thuis te laten zijn, een speech waarin hij de kracht van het regionale verbond met een over de provinciegrenzen reikend socialistisch vergezicht – aan de tand voelde over de sterke positie van de PVV in Limburg, bekroop mij toch het akelige gevoel van een stinkende ‘olifant in de kamer’ waar maar mondjesmaat aan gerefereerd werd.

Was een grondiger zelfonderzoek die avond niet op zijn plek geweest of was dit feestje van gelijkgestemde randstadlimbo’s een welverdiende, tikje nostalgische lofzang? Ik was toch ook zo opgetogen dat bijna de hele Amsterdamse stadsschouwburg plat leek te kalle. Dat er nog een hoop te onderzoeken valt, staat ondertussen vast. Het ‘verkeerde populisme’ is nog lang niet verslagen. Wie wil graven naar antwoorden, reist met mij eens een keer mee down south. Limburg, het randland, doet er namelijk toe. Vaak tegen eigen wil en dank.