God bless you Andy

Een gesprek met Andy verloopt volgens een vast patroon. Als hij hoort dat ik ‘s morgens op het balkon ben – ik heb er een ritueel van gemaakt, komt regen komt zon, nog voor mijn ochtendkoffie naar buiten te gaan om de frisse stadslucht in te ademen – steekt hij zijn hoofd om de scheidingswand. Hij draagt een soort Russische muts met een nep gouden borduursel en plastic ringen die hij op de vrijmarkt koopt.

‘Harold!’
‘Andy!’

Ik moet lachen. Hij moet lachen. Hij lacht zijn nagenoeg tandeloze gebit bloot. Ik reik hem mijn hand. Dan trekt hij zijn hand terug. Hij reikt zijn hand. Ik trek die van mij terug. En zo dagen we elkaar een paar seconden uit. Hij maakt een grap over mijn vorderende kaalheid. Of hij vraagt of ik mijn okselharen al gekamd heb. Of ik wel weet dat ik op twee benen loop. Een keer heb ik geprobeerd origineler te zijn dan hij, maar dat mislukte jammerlijk. Andy keek me niet begrijpend aan. Hij is van de grapjes en ik ben het lijdend voorwerp ván die grapjes. In ons gezamenlijke mini-universum is dit hoe het gaat en moet gaan. Na een paar minuten vindt hij het meestal wel genoeg en dan zegt hij: ‘Have a good day and God bless you Harold.’ ‘God bless you too Andy.’ Hij trekt zich terug op zijn balkon waar hij gaat zitten roken, hoesten en naar zijn transistorradio gaat zitten luisteren.

Andy is al weer een tijdje mijn buurman. Hij komt uit Australië, maar hij heeft ook Grieks bloed door zijn aderen stromen. Zijn sigaretten zijn dezelfde als die ik de kerels op Mytilini op Lesbos zag roken. Van die dunne die op sigaren lijken, en hoewel ons klimaat ‘t maar een paar maanden toelaat, zit Andy zoals die kerels eigenlijk altijd buiten. Hij woont samen met zijn broer, de architect Richard. Richard verzorgt hem, ja verpleegt hem en spreekt hem soms streng toe als hij toch echt teveel kabaal maakt. Als ik wel ‘s terugkom van een optreden in Limburg en vlaai meeneem, geef ik Richard een paar stukken die hij dan met gulle blijdschap ontvangt. ‘Andy will love it.’ Andy mag en doet die dingen waar de meesten van ons inmiddels van afzien: veel suiker en lekker roken. ‘t Wordt nooit uitgesproken: Andy heeft een leven, maar ergens is ‘t ook geen leven. De zoetigheid en de sigaretten. Laat ‘m maar.

Soms zie ik ‘m op ‘t balkon een soort van karateoefeningen doen. En op een dag vertelde hij hoe hij een nieuw gezelschapsspel aan het bedenken was. Leuk voor volwassenen én kinderen, iets wat ons allemaal samen zou brengen. Tot mijn twaalfde geloofde ik nog oprecht dat dat kon: alle mensen samenbrengen. Een paar jaar geleden vierden we Andy’s vijftigste verjaardag. Met veel internationale gasten en bloemen. Veel hugs. En knoevels. Andy deed wat hij altijd doet: liefde geven, roken, taart eten en op zijn balkon zitten.

Ik verhuis binnenkort uit Amsterdam. Ik ga dat gehoest en die rare grapjes van Andy missen. Ik ga de bekommernis van Richard missen. Telkens als ik een gesprek met Andy aanknoopte, dacht ik altijd een tikje zelfingenomen: ‘Ach leuk, doe ik die mens een plezier.’ Maar ‘t plezier betrof natuurlijk mijzelf. Sinds Andy kan ik lachen om veel van mijn ijdele zorgen, waaronder die over mijn kalende kop. En ik zie in dat ik me niet hoef te schamen als ik net als hij droom van een beetje meer saamhorigheid.

God bless you Andy.

Bovenstaande is een Nederlandstalige bewerking van mijn column voor het L1-radioprogramma Plat-eweg! Om de vier/vijf weken spreek ik in mijn eigen dialect een verhaaltje uit. Dit is de eerste in een hopelijk lange reeks: https://l1.nl/t-leste-waord-met-harold-k-149131/ Het liedje, Kaatje, is van Joep’s Kapel: https://spoti.fi/2UweBUj