Thuis | Thoes

Ze zegt: ‘Je zult hier maar een hele dag moeten zitten. Snap jij dat?’ Ik zeg: ‘Het is een geluk dat u hier niet de hele dag hoeft te zitten nee.’ En dan naar waarheid: ‘U heeft hier wel een mooi uitzicht.’

‘Ja jongen. Dat is waar.’

We zijn aan een tafel apart gaan zitten om te kunnen praten. De soep staat op in de gezamenlijke keuken en die ruikt goed. In een hoek staat een piano. Rond een beeldscherm zitten mensen, in gemakkelijke stoelen, in een carré. Wat op dat scherm staat, doet me denken aan de kaleidoscopische beelden die ook in mijn Apple computer zitten. Als screensaver.

Ik laat haar foto’s zien van Mozes.

‘Heb jij een kat? En waar zeg je dat je woont? In Culemborg?’

‘Ja, dat is onder Utrecht.’

‘Kun je niet nog wat meer déze kant op komen?’

‘Ja, binnenkort kom ik deze kant op.’

Vanuit mijn ooghoek zie ik een vrouw die teder de hand van haar man streelt. Ze zit daar elke dag wordt me verteld. Tegenover ons zit meneer H. die zegt dat het voor allemaal niet meer zo hoeft.

‘Moet die vrouw met die rollator de hele dag op en neer lopen?’

‘Dat is dat ze niet de hele dag stil zit oma. U heeft toch ook altijd veel gegymd?’

‘Ja! En daarom kan ik nog altijd zo goed vooruit.’

Aan de andere kant van de tafel gaat ‘t dan over het dorp Nieuwstadt en ze veert op: ‘Nieuwstadt!’

Later die dag vind ik in het huis van mijn ouders een foto van mijn oma in haar winkel. In Nieuwstadt. Het zal ergens in de jaren zeventig zijn. Ze kijkt trots en de winkel is netjes opgeruimd. Het maakt mij ook trots. Dat hadden ze toch maar mooi voor elkaar. Zij en mijn opa. Onder de toonbank staan de snoeppotten die ik in mijn kindertijd zo vaak geplunderd heb. Met kokindjes, Engelse drop en zoute munten.

‘Ik wil naar huis. Breng me toch naar huis.’ En ik weet niet wat dat betekent. Bedoelt ze de ruimte zo groot als een compacte studentenkamer, op zich niet eens zo verkeerd, waar ze slaapt en waar de foto’s van ons en haar man staan? Of verwijst dat woordje ‘thuis’ naar een plek van vroeger waar ze ‘t bestaan alleen nog maar van vermoedt. Een plek die ze in haar geheugen niet meer precies kan lokaliseren. Hoe graag ze dat misschien ook wil.

Soms droom je en dan blijft er bij het waken een vaag gevoel van geluk of onbehagen hangen. Een gevoel dat je niet thuis kan brengen, maar je weet dat er in de nacht íets gebeurd moet zijn.

‘Breng me toch naar huis.’ Ik leg een hand op haar schouder. En ‘t voelt wel goed en ook raar. Maar ik kan niks beters bedenken: ‘Adem in, adem uit. Ze helpen u wel.’

Het bovenstaande is een Nederlandstalige bewerking van mijn column voor het L1-radioprogramma Plat-eweg! Om de vier/vijf weken spreek ik in mijn eigen dialect een verhaaltje in. Dit is de zevende in de reeks: https://l1.nl/plat-eweg-leste-waord-155877/

Deze column verscheen op 14 maart 2020, net voor de lockdown van de verzorgingshuizen van kracht werd. Meneer H. is inmiddels overleden. Hoe het met het echtpaar gaat, weet ik niet. Via de familieapp krijg ik af en toe een bericht over mijn oma toegestuurd. Ze is blijvend trots op haar beweeglijkheid.